Part 12

 

[11:6]

En er is geen schepsel dat op aarde kruipt, of zijn voorziening berust bij God, Hij kent zijn tehuis en zijn verblijfplaats. Alles staat in een duidelijk Boek.

[11:7]

En Hij is het, Die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep en Zijn troon rustte op water, opdat Hij u moge beproeven wiens gedrag het beste is. En indien gij (Profeet) zegt: "Voorzeker, gij zult na de dood worden opgewekt," zullen de ongelovigen zeggen: "Dit is niets dan een zuiver bedrog."

[11:8]

En als Wij hun straf tot een bepaalde tijd uitstellen, zeggen zij: "Wie weerhoudt haar?" Ziet toe! de dag waarop zij over hen komt zal niemand haar kunnen afwenden, en hetgeen zij plachten te bespotten zal op hen neerkomen.

[11:9]

Wanneer Wij de mens Onze barmhartigheid doen smaken en deze daarna van hem wegnemen, wordt hij voorwaar wanhopig en ondankbaar.

[11:10]

En als Wij, nadat tegenspoed hem heeft geraakt, voorspoed doen smaken, zal hij voorzeker zeggen: "De rampspoed is van mij geweken." Ziet! hij wordt jubelend en aanmatigend.

[11:11]

Maar degenen die geduldig zijn en goede werken verrichten, zullen vergiffenis en een grote beloning ontvangen.

[11:12]

(Zij verbeelden zich dat) gij misschien een gedeelte van hetgeen is geopenbaard, zult opgeven; uw hart wordt er door benauwd, omdat zij zeggen: "Waarom is er tot hem geen schat neergezonden of waarom is er geen engel met hem gekomen?" Voorwaar, U bent slechts een waarschuwer en God is Voogd over alle dingen.

[11:13]

Zeggen zij: "Hij heeft dit (de Koran) verzonnen?" Antwoord: "Breng dan tien dergelijke verzonnen hoofdstukken voort en roept buiten God wie gij kunt, als gij waarachtig zijt."

[11:14]

En indien zij uw (uitdaging) niet aannemen, weet dan, dat het met God’s kennis is geopenbaard en dat er geen God is behalve Hij. Zul je u dan onderwerpen?

[11:15]

Wie het tegenwoordige leven en de schoonheden er van wenst, Wij zullen hen volgens hun werken in dit leven ten volle belonen en zij zullen daarin niet tekort worden gedaan.

[11:16]

Dezen zijn degenen, die in het Hiernamaals niets dan het Vuur zullen ontvangen en hetgeen zij in dit leven verrichtten zal teniet gaan en hetgeen zij doen is vergeefs.

[11:17]

Is hij dan (aan hen gelijk), die een duidelijk bewijs van zijn Heer bezit en wie een groot getuige van Hem volgt, en die voorafgegaan is door het Boek van Mozes, als richtsnoer en tot barmhartigheid? Dezen geloven in hem. En wie van de volkeren hem verwerpt, het Vuur zal zijn bestemming zijn. Koester dus geen twijfel daaromtrent. Voorzeker dit is de waarheid van uw Heer, maar de meeste mensen willen niet geloven.

[11:18]

En wie is onrechtvaardiger dan hij, die een leugen tegen God smeedt? Zulken zullen voor hun Heer worden gebracht en de getuigen zullen zeggen: "Dezen zijn degenen die tegen hun Heer logen." Ziet toe! de vloek van God rust op de onrechtvaardigen,

[11:19]

Die van het pad van God afleiden, het krom wensend. En zij geloven niet in het Hiernamaals.

[11:20]

Dezen kunnen in de wereld de straf niet ontvluchten, noch hebben zij enige vrienden naast God. De straf zal voor hen worden verdubbeld. Zij deden geen moeite om te horen, of te zien.

[11:21]

Dezen zijn het, die hun ziel hebben te kort gedaan en hetgeen zij verzinnen, zal falen.

[11:22]

Zij zijn ongetwijfeld degenen, die in het Hiernamaals de grootste verliezers zullen zijn.

[11:23]

Voorwaar, die geloven en goede werken verrichten en die hun Heer gehoorzamen, zijn de bewoners van de Hemel, waarin zij zullen vertoeven.

[11:24]

Het geval van de beide partijen is als de blinde en de dove, de ziende en de horende. Staat het geval van beiden gelijk? Wil je dan geen lering (hieruit) trekken?

[11:25]

Wij zonden Noach tot zijn volk zeggende: "Waarlijk, ik ben voor u een duidelijke waarschuwer,

[11:26]

Dat gij niemand dan God zult aanbidden. Anders vrees ik voor u de straf van een pijnlijke dag."

[11:27]

De leiders der ongelovigen onder zijn volk antwoordden: "Wij zien in u slechts een man zoals wij en wij zien dat niemand u heeft gevolgd, behalve de minsten en de eenvoudigen van geest onder ons. En wij zien u niet uitmunten boven ons; neen, wij geloven dat gij een leugenaar zijt."

[11:28]

Hij (Noach) zeide: "O, mijn volk, zeg mij, als ik mij op een duidelijk bewijs van mijn Heer beroep en Hij mij grote barmhartigheid heeft geschonken, die voor u duister is gemaakt, moeten wij u dit opdringen, terwijl gij er afkerig van zijt?"

[11:29]

O, mijn volk, ik vraag u er geen geld voor. Mijn beloning is alleen bij God. En ik wil de gelovigen niet verdrijven, zij zullen voorzeker hun Heer ontmoeten. Maar ik beschouw u als een volk, dat onwetend handelt.

[11:30]

O, mijn volk, wie zou mij tegen God helpen als ik hen zou verdrijven? Wil je dan geen lering hieruit trekken?

[11:31]

En ik zeg u niet: ’Ik bezit de schatten van God’, noch ken ik het onzienlijke, noch zeg ik: ’Ik ben een engel’. "Noch zeg ik over degenen, die gij minacht dat God hun geen goeds zal schenken. God weet het best, wat in hun innerlijk is. Anders zou ik zeker tot de onrechtvaardigen behoren."

[11:32]

Zij antwoordden: "O Noach, gij hebt inderdaad met ons getwist en veel getwist, breng ons nu de straf waarmee gij ons hebt gedreigd, als gij waarachtig zijt."

[11:33]

Hij zeide: "Alleen God zal deze over u brengen als Hij wil, en gij kunt niets verijdelen."

[11:34]

En als ik u raad geef zal mijn raad u niet baten als God u wenst te vernietigen. Hij is uw Heer en tot Hem zul je worden teruggebracht.

[11:35]

Zeggen zij: "Hij heeft het verzonnen?" Zeg: "Als ik het heb verzonnen, zal mijn zonde op mij rusten doch ik heb niets uitstaande met hetgeen gij begaat."

[11:36]

En er werd aan Noach geopenbaard: "Niemand onder uw volk zal geloven, dan degenen die reeds hebben geloofd; treur daarom niet over hetgeen zij doen.

[11:37]

En bouw de ark voor Onze ogen en volgens Onze voorschriften op. En roep Mij omtrent de onrechtvaardigen niet aan. Zij zullen zeker worden verdronken.’’

[11:38]

En hij was de ark aan het bouwen en steeds wanneer de leiders van zijn volk hem voorbijgingen, bespotten zij hem. Hij zeide: "Als gij ons bespot, zullen wij u (later) bespotten zoals gij (ons) nu doet,

[11:39]

Dan zul je weten wie het is, over wie een vernederende straf komt en op wie een blijvende straf zal rusten.

[11:40]

Toen Ons gebod kwam en de bronnen der aarde spoten, zeiden Wij: "Scheept twee paar van alles in, en uw familie - met uitzondering van degenen, tegen wie het woord reeds is uitgegaan - en de gelovigen." En met hem geloofden slechts weinigen.

[11:41]

En hij (Noach) zeide: "Scheept u in. In naam van God zij haar vaart en haar ankeren. Mijn Heer is voorzeker Vergevensgezind, Genadevol."

[11:42]

En zij bewoog zich met hen op golven als bergen voort. En Noach riep tot zijn zoon, die zich afzijdig hield: "O mijn zoon, scheep u met ons in en wees niet met de ongelovigen."

[11:43]

Hij antwoordde: "Ik zal mijn toevlucht weldra op een berg zoeken, die mij tegen het water zal beschermen." Hij antwoordde: "Er is deze dag geen beschermer tegen het gebod van God, met uitzondering van degenen wie Hij barmhartigheid toont." En een golf kwam tussen beiden, hij behoorde tot de drenkelingen.

[11:44]

En er werd gezegd: " O, aarde, slok op uw water en o, hemel, houd op (met regenen)." En het water werd tot zakken gebracht en het gebod was vervuld. En de Ark kwam op (de berg) Al-Djoedie te rusten. En er werd gezegd: "Vervloekt zij het onrechtvaardige volk."

[11:45]

En Noach riep zijn Heer aan en zeide: "Mijn Heer, mijn zoon is voorwaar van mijn familie en Uw belofte is voorzeker waar en U bent de Rechter der rechters."

[11:46]

Hij (God) zeide: "O, Noach, hij behoort niet tot uw gezin omdat zijn daden niet goed zijn; daarom vraag Mij niet over hetgeen waarvan gij geen kennis bezit. Ik geef u raad om niet tot de onwetenden te behoren."

[11:47]

Hij zeide: "Mijn Heer, ik zoek mijn toevlucht tot U om niet te vragen waar ik geen kennis van heb. En indien Gij mij niet vergeeft noch mij barmhartigheid betoont, zal ik onder de verliezers zijn."

[11:48]

En er werd gezegd: "O Noach, daal dan af (uit de ark) met Onze vrede en met zegeningen over u en over de volkeren die met u zijn. En er zullen andere volkeren zijn wie Wij een (aardse) voorziening zullen schenken, daarna zal een pijnlijke straf van Ons hen raken."

[11:49]

Dit zijn de mededelingen van het onzienlijke die Wij u openbaren, welke gij noch uw volk voorheen kende. Wees geduldig, waarlijk het einde is voor de godvrezenden."

[11:50]

En tot de Aad zeide hun broeder Hoed: "O, mijn volk, aanbid God. Gij hebt geen God naast Hem. Gij verzint slechts leugens."

[11:51]

O, mijn volk, ik vraag van u geen beloning hiervoor; mijn beloning is alleen bij Hem, Die mij schiep. Wil je dan niet begrijpen?

[11:52]

En o, mijn volk, vraag vergiffenis van uw Heer, wend u daarna tot Hem, Hij zal wolken die regelmatig regen neergieten over u zenden en kracht bij uw kracht voegen. En wend u niet af als schuldigen.

[11:53]

Zij zeiden: "O Hoed, gij hebt ons geen enkel duidelijk bewijs gebracht en wij zullen onze Goden niet in de steek laten, om hetgeen gij zegt noch zullen wij u geloven."

[11:54]

Wij kunnen alleen zeggen dat sommige onzer Goden u met kwaad hebben bezocht. Hij antwoordde: "Voorzeker, ik roep God tot getuige en getuig je ook, dat ik niets met uw afgoden uitstaande heb."

[11:55]

Smeedt daarom allen buiten Hem plannen tegen mij en geeft mij geen uitstel.

[11:56]

Ik heb voorzeker mijn vertrouwen in God gesteld, Die mijn Heer en uw Heer is. Er is geen schepsel, dat zich op aarde beweegt, of Hij houdt het in Zijn macht. Voorzeker, mijn Heer is op het rechte pad.

[11:57]

Indien gij u afwendt, dan heb ik u hetgeen waarmee ik tot u ben gezonden medegedeeld, en mijn Heer zal een ander volk uw plaats doen innemen. Gij kunt Hem in het geheel niet deren. Voorzeker, mijn Heer is Bewaker over alle dingen.

[11:58]

En toen Ons gebod kwam, redden Wij Hoed en de gelovigen met hem, door Onze barmhartigheid. En Wij bevrijdden hen van een zware foltering.

[11:59]

En dezen waren de Aad. Zij verloochenden de tekenen van hun Heer en gehoorzaamden Zijn boodschappers niet en volgden het bevel van elke opstandige vijand op.

[11:60]

En er werd een vloek op hen gelegd in deze wereld en op de dag der Opstanding. Ziet! de Aad verwierpen hun Heer. Ziet! vervloekt zij de Aad, het volk van Hoed.

[11:61]

En tot de Samoed zeide hun broeder Salih: "O, mijn volk, aanbid God; gij hebt geen God naast Hem. Hij wekte u op vanuit de aarde en vestigde u er. Vraagt vergiffenis aan Hem en bekeert u tot Hem. Voorwaar, mijn Heer is nabij, Verhorende."

[11:62]

Zij zeiden: "O Salih, gij waart onze hoop. Verbied je ons datgene te aanbidden wat onze vaderen aanbaden? En wij zijn voorzeker in verontrustende twijfel over hetgeen, waartoe gij ons roept."

[11:63]

Hij zeide: "O, mijn volk, zeg mij, als ik een duidelijk bewijs van mijn Heer heb ontvangen en Hij mij barmhartigheid heeft geschonken, wie zal mij dan naast God helpen als ik Hem niet gehoorzaam? Gij zult slechts tot mijn ondergang bijdragen."

[11:64]

En o, mijn volk, dit is de kamelin van God als teken voor u; laat haar daarom met rust opdat zij zich (in vrijheid) op God’s aarde moge voeden en doe haar geen kwaad, anders zal de eerste de beste straf u treffen.

[11:65]

Maar zij verlamden haar; toen zeide hij (Salih): "Vermaakt u voor drie dagen in uw huizen. Dit is een belofte die niet geloochend kan worden."

[11:66]

En toen Ons gebod kwam, redden Wij Salih en met hem de gelovigen door Onze barmhartigheid en Wij redden hen van de schande van die dag. Voorzeker, uw Heer is Sterk, Almachtig.

[11:67]

De straf achterhaalde degenen die kwaad hadden gesticht en zij lagen uitgestrekt in hun huizen,

[11:68]

Alsof zij er nooit in hadden gewoond. Ziet! de Samoed verwierpen hun Heer; ziet! vervloekt zij de Samoed.

[11:69]

En voorzeker Onze boodschappers kwamen met blijde tijdingen tot Abraham. Zij zeiden: "Vrede zij met u." Hij antwoordde: "Vrede zij met u" en terstond bracht hij een gebraden kalf.

[11:70]

Maar toen hij zag dat hun handen er zich niet naar uitstrekten, vond bij hen vreemd en vreesde hen. Zij zeiden: "Vrees niet, want wij zijn tot het volk van Lot gezonden."

[11:71]

En zijn vrouw stond er bij en verwonderde zich, waarop Wij haar de blijde tijding van de geboorte van Izaak gaven en na Izaak van Jacob.

[11:72]

Zij zeide: "O wonder! Zal ik een kind baren nu ik een oude vrouw ben en deze mijn echtgenoot een oude man is? Dit is inderdaad iets wonderbaarlijks."

[11:73]

Zij zeiden: "Verwonder je u over God’s gebod? De barmhartigheid van God en Zijn zegeningen zijn over u, o bewoners van dit huis. Voorzeker, Hij is Geprezen, Glorierijk."

[11:74]

En toen de vrees Abraham verliet en de blijde tijding tot hem kwam, begon hij met ons over het volk van Lot te redetwisten.

[11:75]

Abraham was inderdaad verdraagzaam, zachtmoedig en wendde zich dikwijls (tot God).

[11:76]

O Abraham, wend u hiervan af. Het gebod van uw Heer is uitgegaan en een onafwendbare straf komt over hen.

[11:77]

En toen Onze boodschappers tot Lot kwamen was hij verdrietig en voelde zich bezwaard om hen en zeide: "Dit is een moeilijke dag."

[11:78]

Zijn volk kwam haastig naar hem toe. Ook voordien plachten zij kwaad te doen. Hij (Lot) zeide: "O, mijn volk, dit zijn mijn dochters, zij zijn te rein voor u. Vrees daarom God en onteer mij niet wegens mijn gasten. Is er onder u geen weldenkend man?"

[11:79]

Zij antwoordden: "Gij weet wel, dat wij geen recht hebben op uw dochters en gij weet ook, wat wij wensen."

[11:80]

Hij zeide: "Ach, had ik slechts de macht u weerstand te kunnen bieden of tot een machtige steun toevlucht te nemen."

[11:81]

Zij (de boodschappers) zeiden: "O Lot, Wij zijn de boodschappers van uw Heer, zij zullen u stellig niet bereiken. Vertrek met uw familie gedurende de nacht, laat niemand uwer omkijken dan uw vrouw. Zeker zal haar overkomen wat hun gaat overkomen. Voorwaar, de vastgestelde tijd is de ochtendstond. Is de morgen niet nabij?"

[11:82]

Toen Ons gebod kwam, keerden Wij die stad ondersteboven en Wij deden er brokken klei laag boven laag op regenen;

[11:83]

Die volgens de verordening van uw Heer waren gemerkt. En zulk een straf is niet ver verwijderd van de onrechtvaardigen.

[11:84]

En tot Midian zeide hun broeder Shoaib: "O mijn volk, aanbid God. Gij hebt geen andere God, dan Hem. En geef geen korte maat of licht gewicht. Ik zie u in voorspoed en ik vrees voor u de straf van een alles omvattende dag."

[11:85]

En o, mijn volk, geef volle maat en juist gewicht met rechtvaardigheid en bedrieg de mensen niet met hun goederen noch sticht onheil op aarde.

[11:86]

Hetgeen God u heeft toebedeeld, is beter voor u als gij gelovigen zijt. En ik ben geen bewaker over u.

[11:87]

Zij antwoordden: "O Shoaib, beveelt uw gebed, dat wij hetgeen onze vaderen aanbaden, zouden verlaten of dat wij zouden ophouden met ons eigendom te doen wat wij willen? U bent inderdaad verstandig, recht geleid."

[11:88]

Hij zeide: "O mijn volk, wat meen je indien ik een duidelijk bewijs van mijn Heer heb en Hij mij een goede voorziening heeft geschonken? En ik wil niet, in tegenstelling tot u, mijzelf veroorloven, hetgeen ik u verbied. Ik wil alleen, voor zover ik kan, een verbetering aanbrengen. Alleen door God ben ik hiertoe in staat. In Hem vertrouw ik en tot Hem wend ik mij."

[11:89]

O, mijn volk, laat vijandigheid jegens mij u niet er toe leiden, dat hetzelfde u overkome als hetgeen het volk van Noach of het volk van Hoed of het volk van Salih overkwam; en het volk van Lot is niet ver van u.

[11:90]

En zoek vergiffenis van uw Heer en bekeer u tot Hem. Voorwaar, mijn Heer is Genadig, Liefdevol.

[11:91]

Zij antwoordden: "O, Shoaib, wij begrijpen niet veel van hetgeen gij zegt en wij zien voorzeker, dat gij zwak zijt tegenover ons. Was het niet, om uw gezin, wij zouden u zeker stenigen, wan je zijt niet in aanzien bij ons."

[11:92]

Hij zeide: "O, mijn volk, is mijn gezin waardiger bij u dan God? En gij hebt Hem als waardeloos verworpen. Voorzeker, mijn Heer omvat al hetgeen gij doet."

[11:93]

En o, mijn volk, handel op uw wijze, ik handel op de mijne. Gij zult weldra te weten komen over wie een vernederende straf komt en wie een leugenaar is. En wacht af, ik wacht gewis met u.

[11:94]

En toen Ons gebod kwam, redden Wij Shoaib en met hem de gelovigen door Onze barmhartigheid en kastijding greep de onrechtvaardigen zodat zij uitgestrekt in hun huizen lagen,

[11:95]

Alsof zij er nooit hadden gewoond. Ziet! het volk van Midian is vervloekt, zoals Samoed was vervloekt.

[11:96]

Wij zonden Mozes voorzeker met Onze tekenen en duidelijk gezag,

[11:97]

Naar Pharao en zijn leiders, zij volgden het gebod van Pharao maar het gebod van Pharao was in het geheel niet verstandig.

[11:98]

Hij zal op de Dag der Opstanding voor zijn volk uitgaan en hen naar het Vuur leiden. En slecht is de plaats die wordt bereikt.

[11:99]

En er werd hun in dit leven en op de Dag der Opstanding een vloek opgelegd. Slecht is de gave, die zal worden gegeven.

[11:100]

Dit zijn de tijdingen over de steden die Wij u verhalen. Sommige er van bleven staan en andere werden weggevaagd.

[11:101]

En Wij deden hun geen onrecht maar zij deden zichzelf onrecht aan. En hun goden, die zij naast God aanriepen, baatten hen in het geheel niet toen het gebod van uw Heer kwam; zij voegden hun slechts verderf toe.

[11:102]

Zo is de greep van uw Heer, wanneer Hij de steden grijpt, terwijl zij kwaad verrichten. Voorzeker, Zijn greep is smartelijk en hard.

[11:103]

Hierin is gewis een teken voor hem die de straf van het Hiernamaals vreest. Dat is een dag waarop de mensheid zal worden verzameld en dat is een dag waarvan men getuige zal zijn.

[11:104]

En Wij stellen het slechts voor een bepaalde tijd uit.

[11:105]

De dag, waarop het komt, zal geen ziel zonder Zijn toestemming spreken; dan zullen sommigen hunner ongelukkig en anderen gelukkig zijn.

[11:106]

Degenen dan, die ongelukkig zullen zijn, zullen in het Vuur zijn waarin zij zullen zuchten en steunen;

[11:107]

En er, zolang de Hemelen en de Aarde bestaan in vertoeven, met uitzondering van hetgeen uw Heer moge behagen. Zeker, uw Heer brengt teweeg wat Hij wil.

[11:108]

Maar degenen, die gelukkig zullen blijken te zijn, zullen in de Hemel vertoeven, zolang de Hemelen en de Aarde bestaan, met uitzondering van hetgeen uw Heer moge behagen, een gave, die niet zal worden afgesneden.

[11:109]

Wees dus niet in twijfel, omtrent hetgeen deze mensen aanbidden: zij aanbidden slechts, zoals hun vaderen voorheen aanbaden en Wij zullen hun voorzeker hetgeen hen toekomt ten volle en onverminderd geven.

[11:110]

En Wij gaven Mozes voorzeker het Boek, maar men werd er oneens over; en ware het niet door een woord dat reeds van uw Heer was uitgegaan de zaak zou voorzeker voor hen zijn beslist; en waarlijk zij zijn er in een verontrustende twijfel over.

[11:111]

En uw Heer zal hen allen naar hun werken ten volle vergelden. Hij is wel op de hoogte van hetgeen zij doen.

[11:112]

Blijf daarom standvastig zoals u is bevolen en ook degenen, die zich met u hebben bekeerd en overtreedt de grenzen niet, want Hij ziet voorzeker, wat gij doet.

[11:113]

En neig u niet tot de onrechtvaardigen, anders zal het Vuur ook u aanraken en gij zult naast God geen vrienden hebben noch zul je worden geholpen.

[11:114]

Houd het gebed aan de twee uitersten van de dag en gedurende de eerste uren van de nacht. Voorzeker, goede werken verdrijven kwade werken. Dit is een aanmaning voor degenen die er lering uit trekken.

[11:115]

En wees standvastig, voorzeker, God doet het loon der rechtvaardigen niet verloren gaan.

[11:116]

Waarom waren er onder de geslachten die vóór u waren dan geen verstandige mensen, die het verderf op aarde konden verhinderen op enkelen na, die Wij uit hun midden redden? Maar de onrechtvaardigen volgden datgene waarin hun overvloed werd verleend en zij waren schuldig.

[11:117]

Uw Heer zal de steden niet onrechtvaardig vernietigen, terwijl de bewoners er van oprecht zijn.

[11:118]

En indien uw Heer had gewild, zou Hij het mensdom voorzeker tot één volk hebben gemaakt, maar zij zullen blijven verschillen.

[11:119]

Met uitzondering van degenen, die uw Heer barmhartigheid heeft betoond - hiervoor heeft Hij hen geschapen - maar het woord van uw Heer: "Voorwaar Ik zal de hel met djinn en mensen allen tezamen vullen," is vervuld.

[11:120]

En de tijdingen der boodschappers verhalen Wij u om daardoor uw hart te versterken. Hierdoor is de waarheid en een vermaning en een les voor de gelovigen tot u gekomen.

[11:121]

En zeg tot degenen die niet geloven: "Handelt naar uw vermogen, wij handelen ook."

[11:122]

En wacht af, wij wachten ook.

[11:123]

En aan God behoren de geheimen van de hemelen en de aarde en naar Hem zal het geheel worden teruggebracht. Aanbid Hem daarom en leg uw vertrouwen in Hem. En uw Heer is niet onachtzaam over hetgeen gij doet.

 

Jozef

In naam van God, de Barmhartige, de Genadevolle.

[12:1]

Alif Laam Raa. Dit zijn de verzen van het Boek, dat alles verklaart:

[12:2]

Wij hebben het geopenbaard - als de Arabische Koran- opdat je mag begrijpen.

[12:3]

Wij verhalen u het schoonste verhaal door u deze Koran te openbaren, ofschoon je voorheen onwetend was.

[12:4]

Toen Jozef tot zijn vader zei: "O mijn vader, (in mijn droom) zag ik elf sterren en de zon en de maan en ik zag ze zich voor mij neerwerpen."

[12:5]

Hij zeide: "O, mijn zoon, verhaal uw broedars uw droom niet, anders zullen zij plannen tegen u smeden, want Satan is een openlijke vijand der mensen."

[12:6]

En zo zal uw Heer u verkiezen en u de verklaring der dingen onderwijzen en Zijn gunst aan u en aan de familie van Jacob vervohnaken, zoals Hij die voordien aan twee uwer voorvaderen, Abraham en Izaak had voltooid. Voorwaar, uw Heer is Alwetend, Alwijs.

[12:7]

Voorzeker, er zijn voor de zoekers (naar waarheid) tekenen in (de geschiedenis van) Jozef en zijn broeders.

[12:8]

Toen zij zeiden: "Voorwaar, Jozef en zijn broeder zijn onze vader liever dan wij, ofschoon wij een sterke groep zijn. Voorzeker, onze vader dwaalt openlijk."

[12:9]

Doodt Jozef of verdrijft hem naar een (ver) land, zodat uw vaders gunst uitsluitend voor u moge zijn, waarna je een rechtvaardig volk zult worden.

[12:10]

Eén hunner zeide: "Doodt Jozef niet, maar als je iets moet doen werpt hem dan op de bodem van een diepe put; iemand uit een karavaan zal hem opnemen."

[12:11]

Zij zeiden: "O, onze vader, waarom vertrouw je ons niet aangaande Jozef, hoewel wij hem welgezind zijn?"

[12:12]

Zend hem morgen met ons mede, opdat hij zich moge vermaken en spelen en wij zullen voorzeker zijn bewakers zijn.

[12:13]

Hij zeide: "Het verdriet mij, dat je hem zoudt medenemen en ik vrees, dat de wolf hem zal verslinden terwijl je niet op hem let."

[12:14]

Zij zeiden: "Indien de wolf hem zou verslinden terwijl wij een sterke groep vormen, dan zijn wij inderdaad de verliezers."

[12:15]

Toen zij hem medenamen, kwamen zij overeen hem op de bodem van een diepe put neer te laten en Wij zonden hem een openbaring: "Gij; zult hun van deze zaak vertellen zonder dat zij het beseffen."

[12:16]

’s Avonds kwamen zij wenend tot hun vader.

[12:17]

En zeiden: "O, onze vader, wij hielden een wedloop en lieten Jozef met onze goederen achter en de wolf verslond hem; maar zelfs al spreken wij de waarheid, zul je ons niet geloven."

[12:18]

En zij brachten zijn hemd met bloed, dat niet van hem was. Hij (Jacob) zeide: "Neen, je hebt de zaak veel te licht opgevat. Daarom is geduld passend. En het is God Wiens hulp dient te worden gezocht over hetgeen je beweert."

[12:19]

Er kwam een karavaan langs en deze zond een waterputter, die zijn emmer neerliet. "O, goed nieuws," zeide hij. "Hier is een jongeling." En zij verborgen hem als een stuk koopwaar en God wist goed, wat zij deden.

[12:20]

Zij verkochten hem voor een geringe prijs, een paar zilverstukken, want zij waren onverschillig jegens hem.

[12:21]

En de Egyptenaar, die hem kocht, zeide tot zijn vrouw: "Maak zijn verblijf behoorlijk. Het is waarschijnlijk dat hij ons van nut kan zijn, of dat wij hem als zoon aannemen." En zo vestigden Wij Jozef in het land, opdat Wij hem in het verklaren der dingen mochten onderwijzen. God heeft macht over Zijn gebod, maar de meeste mensen weten het niet.

[12:22]

Toen hij volwassen was, schonken Wij hem oordeel en kennis; zo belonen Wij de goeden.

[12:23]

En zij, in wier huis hij was, zocht hem (tegen zijn wil) te verleiden. Zij grendelde de deuren en zeide: "Kom nu." Hij antwoordde: "Dat verhoede God, hij is mijn heer. Hij heeft mijn verblijf waardig gemaakt. Voorwaar, de boosdoeners slagen nooit."

[12:24]

En zij nam een besluit betreffende hem en hij nam een besluit betreffende haar. Als hij geen duidelijk teken van zijn Heer had gezien, (kon hij zo’n vastberadenheid niet hebben getoond). Zo kwam het dat Wij het kwaad en de onbetamelijkheid van hem mochten afwenden. Voorzeker hij was een Onzer uitverkoren dienaren.

[12:25]

En zij holden beiden naar de deur en zij scheurde zijn hemd van achteren en zij ontmoetten haar echtgenoot aan de deur. Zij zeide: "Wat zal de straf zijn voor iemand die kwade bedoelingen had met uw vrouw, anders dan gevangenneming of een pijnlijke kastijding?"

[12:26]

Hij (Jozef) zeide: "Zij is het die mij tegen mijn wil zocht te verleiden." En een familielid van haar getuigde: "Als zijn hemd van voren is gescheurd, heeft zij de waarheid gesproken en behoort hij tot de leugenaars,

[12:27]

Maar als zijn hemd van achteren is gescheurd, heeft zij gelogen en behoort hij tot de waarachtigen."

[12:28]

Toen hij (haar man) zag dat zijn hemd van achteren was gescheurd, zeide hij: "Dit is zeker een list van u, vrouwen. Uw list is inderdaad sterk."

[12:29]

O, Jozef, wend u hiervan af en gij (vrouw), vraag vergiffenis voor uw zonde. Gij behoort zeker tot de schuldigen.

[12:30]

En de vrouwen in de stad zeiden: "De vrouw van Aziez zoekt haar slaaf tegen zijn wil te verleiden. Hij heeft haar met verliefdheid vervuld. Wij zien haar inderdaad klaarblijkelijk dwalen."

[12:31]

En toen zij van hun plannen hoorde, nodigde zij haar uit en bereidde haar een maaltijd en gaf ieder een mes en zeide dan (tot Jozef): "Ga naar hen toe." En toen zij hem zagen achtten zij hem grotelijks en zij sneden zich in de handen en zeiden: "God zij verheerlijkt. Dit is geen mens, dit is een edele engel."

[12:32]

Zij zeide: "Dit is hij nu over wie je mij beschuldigd, ik zocht hem werkelijk tegen zijn wil te verleiden, maar hij redde zich. En als hij nu niet doet wat ik hem verzoek, zal hij zeker gevangen genomen en vernederd worden."

[12:33]

Hij (Jozef) zeide: "O mijn Heer, ik zou de gevangenis verkiezen boven hetgeen waartoe zij mij roepen; tenzij Gij haar list van mij afwendt zal ik mij tot haar neigen en tot de onwetenden behoren."

[12:34]

Daarom verhoorde zijn Heer zijn gebed en wendde hun list van hem af. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alwetende.

[12:35]

Dus kwam het hun (mannen) voor, nadat zij de tekenen van zijn onschuld hadden gezien, dat zij hem voor een tijd gevangen moesten nemen.

[12:36]

En er gingen met hem twee jonge mannen de gevangenis binnen. Een hunner zeide: "Ik zag mij wijn persen." En de andere zeide: "Ik zag mij in een droom brood op mijn hoofd dragen waarvan de vogelen aten. Geef ons de verklaring er van, voorzeker, wij zien dat je tot de goeden behoort."

[12:37]

Hij antwoordde: "Het voedsel, dat u wordt gegeven, zal niet tot u komen, voordat ik u de verklaring er van heb gegeven. Dit is naar aanleiding van hetgeen mijn Heer mij heeft onderwezen. Ik heb van de godsdienst van het volk dat niet in God en in het Hiernamaals gelooft, afstand gedaan.

[12:38]

En ik volg de godsdienst van mijn vaderen, Abraham, Izaak en Jacob. Het betaamt ons niet dat wij iets met God vereenzelvigen. Dit behoort tot God’s genade voor ons en de mensheid, maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.

[12:39]

O, mijn twee medegevangenen, zijn verscheidene Heren beter of is God, de Ene, de Opperste beter?

[12:40]

Gij aanbidt naast God niets, dan ijdele namen die je hebt uitgedacht, jij en uw vaderen; God heeft daar geen gezag voor neergezonden. De beslissing berust bij God alleen. Hij heeft bevolen dat je naast Hem niets zult aanbidden. Dit is de juiste godsdienst, maar de meeste mensen beseffen het niet.

[12:41]

O mijn twee medegevangenen, wat één uwer betreft, hij zal wijn voor zijn Heer schenken en wat de ander betreft, hij zal worden gekruisigd, zodat de vogels van zijn hoofd zullen eten. De zaak waarover je hebt gevraagd, is besloten.

[12:42]

En hij zeide tot degene van hen, van wie hij wist dat hij bevrijd zou worden: "Vermeld mij bij uw heer." Maar Satan deed hem vergeten het aan zijn heer te zeggen daarom bleef hij voor enige jaren in de gevangenis.

[12:43]

En de koring (van Egypte) zeide: "Ik zag zeven vette koeien, die door zeven magere koeien werden verslonden en zeven groene korenaren en zeven verwelkte aren. O gij leiders, legt mij de betekenis van mijn droom uit als je een droom kunt verklaren."

[12:44]

Zij antwoordden: "Het zijn verwarde dromen en wij kennen de verklaring van zulke dromen niet."

[12:45]

En degene van de twee die bevrijd was, herinnerde zich na enige tijd Jozef, en zeide toen: "Ik zal u de verklaring er van laten weten, zend mij daarom."

[12:46]

O, Jozef! gij man der waarheid, leg ons de betekenis uit van zeven vette koeien die door zeven magere worden verslonden en van zeven groene korenaren en andere verwelkte aren opdat ik tot het volk moge terugkeren, zodat zij mogen weten.

[12:47]

Hij antwoordde: "Gij zult zeven jaren lang voortdurend zaaien en wat je maait in de aar laten, met uitzondering van een weinig, dat je zult eten."

[12:48]

Dan zullen er nadien zeven harde jaren komen, die al hetgeen je van te voren hebt opgeslagen zal verteren, met uitzondering van een weinig dat je zult bewaren.

[12:49]

Dan zal er nadien een jaar komen, waarin de mensen zullen worden geholpen en waarin zij (vruchten) zullen persen.

[12:50]

En de koning zeide: "Brengt hem tot mij." Maar toen de boodschapper tot hem (Jozef) kwam, zeide hij: "Ga terug naar uw heer en vraag hem hoe het met de vrouwen is gesteld die zich in de handen sneden, voorzeker mijn Heer kent haar sluwe plan goed."

[12:51]

Hij, (de koning) zeide tot de vrouwen: "Wat was het geval met u toen gij Jozef tegen zijn wil zocht te verleiden?" Zij zeiden: "God zij verheerlijkt. Wij hebben geen kwaad van hem geweten." De vrouw van de Aziez zeide: "Nu is de waarheid aan het licht gekomen. Ik was het die hem tegen zijn wil zocht te verleiden en hij behoort zeker tot de waarachtigen."

[12:52]

Dit is, opdat hij moge weten dat ik hem in zijn afwezigheid niet ontrouw was en dat God het plan van de ontrouwe mensen niet laat slagen.